computational thinking

computational thinking

1.4.1 De leerkracht toont aan problemen op een dusdanige wijze te kunnen formuleren zodat een computer of ander hulpmiddel gebruikt kan worden om het probleem op te lossen.

1.4.2 De leerkracht toont aan gegevens te kunnen verzamelen, te filteren op bruikbaarheid, te kunnen analyseren en resultaten te visualiseren.

1.4.3 De leerkracht toont aan een complexe taak of probleem op te kunnen delen in kleinere eenheden om resultaten vervolgens weer samen te voegen.

1.4.4 De leerkracht toont aan kennis te hebben van automatisering, algoritmes, procedures, parallellisatie, abstractie, simulatie en modellering.